|
Roberto Assagioli werd als Roberto Grego op 27 februari 1888 in Venetië geboren.
Zijn moeder heette Elena Kaula; zij leefde van 1863 tot 1925 en was ten tijde van
Roberto’s geboorte gehuwd met een zekere Greco of Grego, wiens voornaam niet bekend is.
Grego stierf toen
Roberto nog heel jong was en de weduwe hertrouwde met Alessandro Assagioli. Roberto nam
later de familienaam van zijn stiefvader aan. Soms werd (en wordt) hij Roberto Grego
Assagioli genoemd. Zijn familie behoorde tot de erudiete hogere joodse kringen. Hij
kreeg een klassieke opvoeding: acht jaar lang werd hem Latijn onderwezen, vijf
jaar lang Grieks. Tezelfdertijd leerde hij verschillende andere talen: in
zijn ouderlijk huis sprak men naast Italiaans ook Frans en Engels, en
zijn actieve en passieve beheersing van alle drie deze talen was dan ook uitstekend,
hetgeen hem gedurende zijn hele leven tot nut is geweest. Toen hij acht jaar was begon hij
Duits te leren; na 1906, toen hij student was aan de universiteit van Florence, kwamen er
nog Russisch en Sanskriet bij. Zoals alle Italiaanse schoolkinderen was hij zeer goed bekend
met het werk van Dante Alighieri, vooral met de Divina Commedia. Invloeden van Dante
en van Plato zijn in de psychosynthese duidelijk aan te wijzen; beide schrijvers zijn
gedurende zijn hele leven een belangrijke bron van inspiratie voor Assagioli
geweest.
Tot hij in 1906 medicijnen ging studeren in Florence woonde hij in
Venetië. Als kind was hij zijn ouders zeer toegewijd; zij lieten hem reizen maken
naar verschillende Europese landen, zelfs naar Rusland. Hij was van mening dat hij aan de
vroege kennismaking met al die belangrijke culturen en al die verschillende manieren van
leven de enorme dimensie van zijn eigen volwassen belevingswereld te danken had. Zijn
moeder werd theosofe, en dat vergunde hem al op jeugdige leeftijd een blik in de rijkdommen
van de spirituele en esoterische kennis. Hij bleef zich voor de joodse cultuur
interesseren; gedurende een groot deel van zijn leven las hij joodse kranten en was hij
min of meer betrokken bij de activiteiten van joodse organisaties. Assagioli ontving
zijn medische opleiding in Florence, de stad die hem voor het grootste deel van zijn
leven verder tot woonplaats zou zijn. Evenzeer als die van Venetië wordt de bewoner
van Florence voortdurend geconfronteerd met de grote kunstzinnige scheppingen
van Middeleeuwen en Renaissance. De heel bijzondere synthese van Griekse, humanistische
en religieuze ideeën, die resulteerde in schilderkunst, sculptuur en bouwkunst
van uitzonderlijke kwaliteit, heeft in Assagioli een grote bewondering voor beeldende
kunst, muziek en ook voor de natuur gewekt. Een dergelijke synthese probeerde hij ook in
zijn werk te scheppen.
Wij weten uit een overigens niet ondertekend en ongedateerd artikel over psychosynthese,
dat Assagioli zich al gedurende de eerste jaren van de twintigste eeuw bezig hield met
het schrijven en publiceren van artikelen over psychologische en
psychotherapeutische onderwerpen. In die tijd bestudeerde hij ook mystieke en
theosofische werken, aan de hand van vertalingen van Max Muller. Het eerste artikel
dat wij van hem kennen verscheen in 1906 onder de titel Gli effetti del riso en
le loro applicazione pedagogiche (‘De effecten van de lach en de toepassingen van
deze effecten in de opvoedkunde’). Later werd dit bekend onder de titel
De wijsheid van een glimlach. Een Nederlandse versie van dit artikel
is bij het Instituut verkrijgbaar, zie publicatielijst.)
Assagioli schijnt zich in deze tijd voornamelijk te hebben beziggehouden met de
onderlinge raakvlakken van geneeskunde, pedagogie en religie, en het is deze combinatie
van belangstellingssferen die aan de psychosynthese ten grondslag ligt.
We weten dat hij in 1908 in Engeland aan een internationale conferentie
over godsdienstgeschiedenis deelnam (in 1902 was het boek van William James over
verschillende vormen van religieus beleven verschenen), en aan één over morele opvoeding;
het verslag van deze conferentie, waarin ook bijdragen van Assagioli, verscheen in
Scientia. Tijdens deze conferenties ontmoette hij een aantal Oosterse
denkers. Tijdens die beginjaren van de twintigste eeuw nam de ontwikkeling van
de menselijke kennis een hoge vlucht. Godsdienst en het godsdienstig denken werden aan
een nieuw onderzoek onderworpen; natuurwetenschap en technologie maakten in ieder opzicht
een bloeitijd door - Einstein begon in deze tijd te publiceren; het onderzoek richtte
zich nu ook op de opvoeding, en mensen als Froebel, Montessori en later Rudolf
Steiner wijdden hieraan hun beste krachten. Tot bepaalde kringen drong het besef door dat
zich in de Oosterse filosofieën en religies een, ook voor de Westerse wereld
wellicht buitengewoon waardevolle, schat aan oude wijsheid verborg; de aard en het wezen
van de mensen werden bestudeerd, waarbij het onbewuste onderwerp werd van
wetenschappelijk onderzoek, en de naam Freud moet hier uiteraard op de eerste plaats
genoemd worden. In september 1907 werd in Amsterdam het eerste Internationale Congres
voor Psychiatrie gehouden. Gedurende zijn hele leven bleef Assagioli gebruik maken van
de verworvenheden van talloze verschillende wetenschappelijke gebieden en denkrichtingen,
dit waarschijnlijk als logisch gevolg van het feit dat het totale gebied van de
menselijke kennis zich juist tijdens zijn meest ontvankelijke jaren zo enorm had
uitgebreid. Het is zonder meer duidelijk dat Assagioli zich in deze vroege periode
bijzonder actief toonde in het psychoanalytisch milieu; dat blijkt onder andere uit
de briefwisseling tussen Freud en Jung. In 1909 schreef Jung aan Freud:
‘De trekvogels komen binnen, dat wil zeggen dat er hier steeds meer mensen
op bezoek komen. Onder andere een heel aardige figuur, die misschien nog een waardevol
contact kan worden, onze eerste Italiaan, een zekere Dokter Assagioli van de
psychiatrische school in Florence. Professor Tanzi heeft hem aangeraden om zijn proefschrift
aan ons werk te wijden. De jongeman is zeer intelligent, lijkt daarbij buitengewoon belezen
te zijn en is een enthousiast volgeling, iemand die zich met groot élan een plaats
wil verwerven in het nieuwe territorium. Volgend voorjaar wil hij jou bezoeken’.
Daarna valt de naam Assagioli nog enkele malen in de correspondentie. In 1909 verscheen
van hem een artikel over de stand van zaken in de Italiaanse psychoanalytische wereld in
het Jahrbuch für psychoanalytische und psychopathologische Forschungen; in
1910 schrijft Freud dat hij ‘een brief van Assagioli in Florence gekregen heeft,
in voortreffelijk Duits, overigens’, en later in datzelfde jaar laat Jung weten dat
Assagioli wederom bereid is om een artikel te schrijven voor het Jahrbuch, en ook dat hij als
19de deelnemer is toegetreden tot zijn ‘groep’, een soort studiegroep.
In 1910 verscheen het proefschrift van Assagioli, een kritische studie van
de psychoanalytische theorie (waarschijnlijk gaat het hier om de dissertatie die hij
onder supervisie van Tanzi zou schrijven). Later vertelde Assagioli dat het werk
met ‘welwillende onverschilligheid’ was ontvangen. Na het behalen van de
doctorstitel specialiseerde Assagioli zich verder in de psychiatrie bij Bleuler. Eugen
Bleuler was geneesheer-directeur van de Burghölzli, het gigantische ziekenhuis in
Zürich waaraan, vanaf 1900, ook Jung verbonden was geweest. Juist in de tijd dat Assagioli
bij Bleuler studeerde begon deze laatste zich meer en meer kritisch op te stellen ten
opzichte van Freud. Freud, Jung en Assagioli vonden van zichzelf dat zij
wetenschapslieden waren; toch zijn hun theorieën wel gekunstelde metaforen genoemd,
vergezochte constructies, stammend van een denkwereld die niets met de rationele
Westerse traditie uitstaande heeft; en daarbij werd dat andere aspect, de spirituele
kennis die aan het ontstaan van de bewuste theorieën had bijgedragen, zelfs nog
buiten beschouwing gelaten. We kunnen met recht beweren dat Freud zijn theorie zonder
enige reserve ten koste van alles wilde beschermen; Jung stelde zich meer
relativerend op, terwijl Assagioli er zonder meer van uitging dat de hele theorie
als een voorlopige hypothese beschouwd moest worden. De aard van de kennis die aan
alle psychodynamische theorieën ten grondslag ligt, is trouwens in deze hele eeuw aanleiding
tot controverse geweest.
Na zijn opleiding was Assagioli als psychiater in Italië werkzaam, waarbij het beeld
van de therapie, zoals hij zich die ten doel stelde, in zijn geest steeds duidelijker
vormen aannam. Tussen 1912 en 1915 verschenen van hem een aantal artikelen
in Psiche, een tijdschrift dat op zijn initiatief in Florence werd uitgegeven,
maar dat in 1915 als gevolg van het uitbreken van de oorlog ophield te verschijnen. Na de
oorlog publiceerde hij zijn werk grotendeels in het tijdschrift Ultra. In de studie
over de geschiedenis van psychosynthese wordt gesteld dat Assagioli’s artikelen een in
zekere zin ‘explosieve’ invloed hadden op de cultuur van die tijd.
Assagioli werd niet onder de wapenen geroepen, en voor de duur van de oorlog
bleef hij als arts werkzaam. In de periode tussen de beide wereldoorlogen
woonde hij in Rome. In de jaren twintig leerde hij zijn vrouw, Nella, kennen.
Zij was rooms-katholiek en theosofe. Hun huwelijk zou veertig jaar duren.
Zij kregen een zoon, Ilario.
Gedurende de periode tussen de beide wereldoorlogen zette Assagioli zijn
uitgebreide onderzoekingen voort; hij maakte kennis met mensen als Croce, Tagore
en Inayat Khan, een van de grote geesten achter de Soefi-beweging. Hij werd beïnvloed
door Steiner, Suzuki en Ouspensky. Hij kreeg een bijzonder hechte band met Alice Bailey,
een spiritueel leidster uit Engeland; met haar maakte hij deel uit van een kring van
vrienden die zich het bestuderen van de spirituele basis van het bestaan ten doel
hadden gesteld.
Tijdens de jaren twintig en dertig stond Assagioli, persoonlijk of per brief,
in voortdurend contact met vooraanstaande denkers als Jung en Keyserling,
en met Buber, met wie hij een buitengewoon diepe geestverwantschap ervoer. Zijn aandacht,
die aanvankelijk naar de behandeling en de vorming van het individu was uitgegaan,
verdiepte en verbreedde zich, en richtte zich steeds meer op de sociale toestand van de
hele wereld. In 1926 stichtte Assagioli in Rome het Istituto de Cultura e Terapia
Psichica (Instituut voor cultuur en psychotherapie). Psychosynthese was hier de basis,
van waaruit men werkte aan therapie en vorming ‘zodat zich nieuwe richtsnoeren voor de
opvoeding zouden vormen’.
In 1927 gaf dit instituut een boek uit in het Engels, getiteld
A New Method of Treatment - Psychosynthesis. Het richt zich ‘in het bijzonder
tot diegenen, die lichamelijk of geestelijk lijden. Het motto van psychosynthese was in die
tijd ‘Ken uzelf - wees meester over uzelf - vorm uzelf tot een nieuwe persoonlijkheid’.
Aan het Instituut werden eenjarige cursussen gegeven: de colleges van het jaar 1928
behandelden het thema: ‘Energieën die in ons sluimeren, en hun toepassing in de pedagogie en
de geneeskunde’, over de botsende elementen in de persoonlijkheid; deze zouden zich
kunnen verzoenen en vervolgens samen tot een hogere synthese kunnen worden aangewend.
Tot op de dag van vandaag houden de centra voor psychosynthese zich bezig met het verband
tussen geest, lichaam en ziel, en met vorming.
In de dertiger jaren ging het werk door. Assagioli publiceerde twee artikelen, die later
de twee eerste hoofdstukken zouden vormen van zijn boek Psychosynthese.
Het Hibbert Journal, een tijdschrift van zeer hoog niveau, dat om de drie maanden
in Engeland uitkwam en waarin van de hand van menig bekend geleerde artikelen verschenen
over godsdienst, theologie en filosofie, nam beide artikelen in Engelse vertaling op.
Dynamic Psychology and Psychosynthesis verscheen in de jaargang 1933-34.
Assagioli schrijft hierin over de aanvankelijk kleine, maar later gestaag groeiende
groep mensen, die zich de afgelopen 40 tot 50 jaar hadden bezig gehouden met ‘de
menselijke ziel en haar geheimen’. Hij laat Janet, Freud, Adler en Jung de revue
passeren (hij vermeldt dat er zich, volgens deze laatste ‘tussen het gewone en het
onderbewuste zelf ook nog een transcendent zelf bevindt’) en beschrijft de
ontdekkingstochten van deze geleerden naar de gebieden van het menselijk onbewuste. Hij
weidt verder uit over de laatste ontwikkelingen in de psychobiologie, over het onderzoek
naar paranormale verschijnselen, over William James en Evelyn Underhill en hun
publicaties met betrekking tot religieuze en mystieke ervaringen, en over Keyserling en
diens synthese van het Oosterse en het Westerse denken.
In dit artikel verscheen de beschrijving van het ‘ei-vormige diagram’ van de menselijke
geest voor het eerst in de Engelse taal: dit schema van de aard van de mens is tot op de dag
van vandaag in de psychosynthese in gebruik. In dit ‘ei’ legt Assagioli duidelijk verband
tussen werken met het onbewuste en de verwerkelijking van het Zelf, een thema dat in
de psychosynthese herhaaldelijk en nadrukkelijk terugkeert. Assagioli ziet psychosynthese
als een kader voor mensen, die hun leven in vrijheid en eigen verantwoordelijkheid
willen leiden, mensen, die ‘weigeren om zich passief over te leveren aan de willekeur
van de psychische machten, die zich in hen roeren’. Vanuit het individu trekt hij deze
analyse door naar grotere sociale verbanden:
‘Daarom kunnen we, naar analogie van het beeld van de mens, die immers een combinatie
is van een groot aantal min of meer gecoördineerde elementen, de groep beschouwen als een
groter samenstel van elementen, waarbij de afzonderlijke mensen de elementen vormen;
de groep op zijn beurt vormt weer, samen met andere groepen, uitgebreider verbanden, in
grootte variërend van de familiegroep tot bewonersgroepen van steden of provincies, en
tot hele sociale lagen; werkgevers- en werknemersorganisaties verbinden zich weer tot
nationale groeperingen en deze tenslotte vormen samen de hele menselijke
familie’.
De nadruk blijft liggen op de synthese, meer dan op de analyse.
In de Hibbert Joumal van 1937-38 verscheen vervolgens Spiritual development
and its attendant maladies. In dit artikel bespreekt Assagioli het alternatief
voor ‘zich laten leven’: het zoeken naar zingeving, het streven naar spiritueel ontwaken.
Hij noemt enkele van de gevaren, die de mens op deze graalreis kunnen
bedreigen (nieuwsgierigheid naar paranormale verschijnselen kan hem bijvoorbeeld op
een dwaalspoor brengen) en hij waarschuwt voor de wanhoop die hem soms overvalt;
hij beschrijft de mistroostigheid waardoor de reiziger gekweld kan worden gedurende ‘de
donkere nacht van de ziel’, maar ook de grootse overwinning die in het verschiet ligt.
Volgens Assagioli kan de mens, op welk punt van deze weg hij zich ook bevindt, altijd
door therapie verder geholpen worden, als hij eens op dood spoor is geraakt. Veel mensen
zitten echter vast in het starre conformisme dat de wereld van vandaag hen nu eenmaal oplegt
en daarom zullen zij deze reis nooit ondernemen; maar iedereen heeft het verlangen naar een
doel van nature in zich, en dit verlangen kan door hulp van buitenaf gestimuleerd en
tot activiteit aangezet worden - hoewel dit dikwijls met verlies en verdriet gepaard
zal gaan. Dit artikel werd later opgenomen in het boek Psychosynthese en vormt
daarvan het hoofdstuk ‘Zelfverwerkelijking en psychische stoornissen’.
Inmiddels had het fascisme zowel in Duitsland als in Italië vaste voet aan de
grond gekregen. In 1936 wekte het Istituto di Psicosintesi de achterdocht op van
de Italiaanse regering, die door de toenemende vijandigheid waarmee zij zijn humanitaire
en internationale activiteiten bejegende, Assagioli steeds meer in zijn werk
belemmerde; tenslotte, in 1938, werd hij gedwongen om het Istituto te
sluiten. Freud moest in datzelfde jaar Wenen verlaten en alle psychoanalytische
organisaties werden ontmanteld. Assagioli had als jood meer en meer te lijden van
de onderdrukkende maatregelen van de Italiaanse regering. Hij was inmiddels vijftig
jaar geworden. In 1936 werd hij vanwege zijn belangstelling voor pacifisme en
internationalisme een maand lang in de gevangenis opgesloten, waarna hij, samen met zijn
zoon Ilario, voor enige tijd onderdook op het platteland. Een vijftiental jaren later zou
Ilario sterven aan bot-tuberculose, waarmee hij waarschijnlijk gedurende de
onderduikperiode werd geïnfecteerd.
Na 1946 begint de psychosynthese een meer internationaal karakter aan te nemen: het
aantal congressen neemt toe en er verschijnen steeds meer artikelen in de
internationale vakbladen. Gedurende de vijftiger jaren publiceerde Assagioli in
Italië, Frankrijk en Amerika. In 1956 werd de Psychosynthesis Research
Foundation gesticht in Valmy, bij Delaware, in de VS. Hier werd tot
1976 psychosynthese-materiaal onderwezen en uitgegeven. In dat jaar hervatte
het Istituto di Psicosintese het werk, ditmaal vanuit het nieuwe centrum
in Florence, terwijl er tegelijkertijd vestigingen kwamen in Rome en in Bologna. In 1959
en 1960 werden er conferenties gehouden in Parijs en in Londen; op beide was Assagioli
als toehoorder én als spreker aanwezig.
Psychosynthese lijkt gedurende de vijftiger en zestiger jaren meer
klassiek-psychodynamisch in haar technieken te zijn geweest dan zij tegenwoordig is. In
die periode ontwikkelde zij echter in snel tempo een groot aantal nieuwe technieken, die,
dat blijkt uit alles, ook in hoge mate de belangstelling bij andere therapeuten wisten
te wekken.
Door zijn contacten met Amerika tijdens de jaren zestig leerde Assagioli schrijvers
en therapeuten kennen zoals Fromm, Rogers en Maslow, wier werk hij zeer bewonderde. Zijn
eigen werk werd, in ieder opzicht, steeds meer internationaal. Het eind van zijn leven was,
wat dit betreft, een lange, mooie nazomer; hij ondervond nu meer waardering dan ooit
tevoren. In het In Memoriam lezen we dat ‘hij al tegen de zeventig liep toen
er plotseling een enorme behoefte aan zijn boek en aan zijn andere geschriften bleek te
bestaan, zodat deze opeens door duizenden werden gelezen’.
In het midden van de jaren zestig organiseerden de instituten een internationale
conferentie over opvoeding en over de problemen van de jeugd, waarbij bijzondere aandacht
werd geschonken aan de problematiek waarmee hyperbegaafde kinderen worden
geconfronteerd. Assagioli had een natuurlijke aanleg voor het werken met kinderen.
Assagioli reisde ettelijke malen naar Engeland en er werden in Londen enkele
congressen gehouden. Gedurende de jaren zestig zagen verschillende nieuwe
vestigingen het licht: in Padua, in Pasadena, in Boston, en verder in de
Amerikaanse staten Kentucky, Californië en Vermont. In de meeste Europese
landen, vooral in Nederland, kwamen groepen van de grond. Assagioli was geen voorstander
van centralisatie en controle, en het is daarom moeilijk om precies te zeggen welke centra
er in de loop der tijden allemaal geopend (en in sommige gevallen ook weer gesloten) zijn.
De contacten zijn informeel en persoonlijk, tussen de verschillende instituten
onderling. Het is meer een netwerk dan een officiële, internationale organisatie.
Er is echter sprake van gestage groei en ontwikkeling en Assagioli’s oorspronkelijke theorie
en praktijk worden in al die centra, overal ter wereld, voortdurend aangepast en
bijgeschaafd. Het is al evenmin eenvoudig te definiëren, wat psychosynthese eigenlijk is,
wat haar betekenis is. Assagioli schrijft hierover:
‘Het is geen doctrine, evenmin een psychologische ‘school’, en ook geen exclusieve
methode ter vorming van de eigen persoonlijkheid, een vorm van therapie of een manier
van opvoeden; we moeten het voornamelijk zien als een soort levenshouding, een streven
naar integratie en synthese op ieder gebied; als een serie activiteiten, die deze synthese
tot doel hebben. Niemand kan pretenderen, de enig ware vertegenwoordiger te zijn; er is
dan ook geen ‘superorganisatie’ die het uiteindelijke toezicht heeft. De organisatie op
zich kan beter met een sterrenbeeld dan met een zonnestelsel vergeleken worden’.
Assagioli weigerde zich vast te leggen, organisatorisch evenmin als theoretisch;
hij weigerde een bindend schema op te stellen.
Zo zien we hoe psychosynthese, na haar eerste aanzet als systeem tijdens de in
intellectueel opzicht zo opwindende, bruisende beginperiode van de twintigste eeuw,
gedurende lange tijd in haar bakermat, Italië, heeft gesluimerd, waar zij opbloeide en
zich ontwikkelde door het werk van Assagioli met zijn cliënten. Hij schreef in deze tijd
veel korte verhandelingen, waarvan er enkele werden gepubliceerd, zowel in
Italië als elders. Pas in de zestiger jaren werden theorie en praktijk weer
helemaal internationaal, en verbreidden zich via een netwerk van instituten over vele
landen. Pas aan het eind van zijn leven bleek Assagioli bereid om zijn beide boeken uit
te geven; het eerste verscheen in 1965, het andere in 1974, zijn sterfjaar.
Aan het eind van zijn leven werd hij bezocht door een groot aantal mensen
van allerlei verschillende nationaliteiten, om zijn wijsheid, zijn humor,
zijn originaliteit. Nog steeds wordt met grote liefde en eerbied over hem geschreven.
 |